Voorproefje?

Het eerste hoofdstuk van Vrouw met bloem zoekt man met baard krijg je alvast cadeau. Het boek heeft in totaal zo'n 220 pagina's, verdeeld over 41 hoofdstukken; 21 vanuit Bobby en 20 vanuit Thomas geschreven. De eerste is van Bobby (binnenkort ook te beluisteren!).

 

Bobby

 

Vrijdagmiddag 25 mei, 16:32 uur

Oud-West, Amsterdam

 

Ergens in de verkeersdrukte hoor ik twee keer een zacht

gepiep. Denk ik. Was dat míjn telefoon, waar is dat ding?

Met mijn ene hand probeer ik mijn fiets netjes op het fietspad

te houden, met mijn andere hand woel ik door de tas

die aan het stuur hangt. De achterkant van mijn T-shirt

voelt aan als het warme, natte doekje dat je na het eten bij

de Chinees krijgt. Waar is die verdomde telefoon? Mijn vingertoppen

identificeren iets glads: lipgloss. Nog iets glads:

iPod. Met mijn vingers grijp ik in iets nats. Shit. De perzik

van gisteren. Ik lik mijn wijsvinger af en rits mijn tas weer

dicht.

Als hij teruggesms’t heeft, dan kan ik dat ook straks

bekijken. Ik steek het Surinameplein over.

‘Hoe kun je nou zo stom zijn, Bobby?’ zeg ik hardop

tegen mezelf. Je had hem nooit die sms moeten sturen. Je

had hem überhaupt geen sms moeten sturen. Het was zíjn

beurt. Ik vertraag mijn tempo, knoop mijn jasje open en

laat de warme lucht door mijn kleren waaien. Ik sluit mijn

ogen een seconde. Weekend. Bijna thuis.

Hij zal vast nog aan het werk zijn, want hoe laat is het

nu, half vijf?

Hij reageert nooit direct. Bobby van Kesteren, beloof me,

als je vóór vanavond geen sms terug hebt ontvangen, dan

stuur je zelf ook niets meer. Nooit meer. Het is meer dan

genoeg geweest. Afgesproken?

Ik steek mijn hand in mijn jaszak en voel daar onverwachts

mijn mobiele telefoon. Snel kijk ik naar het scherm.

Leeg.

 

Gisteravond was ik nog tot laat in Den Haag. We stonden al

uren met ons vaste groepje van de fractie op het Plein. Hij

was er meestal niet bij, nu dus ook niet. Toen ik eigenlijk al

naar huis wilde gaan, viel me ineens op dat het licht op de

afdeling Voorlichting nog brandde. Dat ene laatste biertje

gaf me blijkbaar net de moed om rechtsomkeert naar het

Kamergebouw te maken. Ik zie me nog staan in de deuropening.

Onopgemerkt keek ik naar hem, terwijl hij druk

aan het typen was. Ik keek naar zijn schouders, waarvan ik

de contouren door het overhemd kon zien. Ik zag de randen

van zijn hemd. Wie draagt er in godsnaam tegenwoordig

nog hemden? Echte hemden, singlets? Mijn vader droeg

ze en ik kende tot voor kort niemand anders. Tot ik Marnix

ontmoette. Hij draagt ze elke dag en hij vindt het de

normaalste zaak van de wereld. Maar zijn hemden zijn nog

niet het ergste. Al mijn vriendjes tot nu toe droegen boxershorts;

Marnix draagt mannenonderbroeken. Slips. Met

een middenstukje waar ik nooit de functie van heb begrepen.

Ik hou het erop dat het is om het zaakje groter te laten

lijken. Mijn onbegrip voor zijn ondergoed weerspiegelt het

leeftijdsverschil van negen jaar.

 

Toen ik daar zo in zijn kantoor stond, wist ik even niet meer

wat ik moest zeggen. Ik keek naar zijn handen die driftig

over zijn toetsenbord zweefden, zijn blik gefocust op het

scherm. Ik zag hem diep in- en uitademen en bleef aan de

grond genageld staan kijken. Mijn lichaam schreeuwde dat

ik hem aan moest raken. Gewoon een onverwachte zoen in

zijn nek. Een aai over zijn schouder. Zijn hoofd tegen mijn

buik, mijn lippen op zijn haar. Maar ik hield me in. We

waren op het werk. En werk is werk en thuis is thuis. Ik

streek mijn rok recht, rechtte mijn rug en schraapte mijn

keel.

‘Hai. Hé. Ik moest nog even een mailtje sturen, dus ik

dacht, ik kijk even hoe het hierboven gaat. Met deze workaholic.

Ik ben nog hier. Nou ja, beneden dan. Nog even wat

drinken, dus mocht je straks naar huis gaan, dan...’ stotterde

ik.

‘Veel plezier, Bobster, ik bel misschien nog wel even, oké?’

mompelde hij vanachter zijn scherm.

Ik bleef staan. Ik pulkte wat vuil onder mijn nagels vandaan.

Stilte.

‘Oké.’

Eindelijk draaide Marnix zich om en keek me aan.

‘Hé, Bobster...’ Hij glimlachte naar me, zoals hij naar mij

en naar mijn weten naar niemand anders glimlacht en rekte

zich uit. ‘Niet te veel drinken jij, hè?’

‘Een beetje dimmen, opa.’

Ik keek hem recht aan. En ineens schaamde ik me. Wat

deed ik daar? In zijn werkkamer nota bene. Ik wilde weg.

Me niet meer laten kennen. Zonder verder iets te zeggen,

draaide ik me resoluut om en sloot de deur achter me.

Anderhalf uur heb ik gisteravond op hem gewacht. Tot ik

het compleet zat was en de trein terug naar Amsterdam

heb genomen. Gebeld heeft hij gisteravond überhaupt niet

meer.

Het zal wel druk geweest zijn. Ik moet hem ook gewoon

wat meer ruimte geven.

 

Neuriënd fiets ik door de ingang van het Vondelpark. Vandaag

een extra rondje; dat hoort bij mooi weer. Het valt

me direct op, het is een ‘Hoegaarden-vrijdagmiddag’: waar

komen al die meisjes met die korte rokjes ineens vandaan?

Ik wil ook. Ik wil slippers tussen mijn tenen en blote bovenbenen.

Ik zie in gedachten mijn rokjesinventaris voor me.

Ik twijfel nog tussen een Nolita-bloemen-fladderrok (nieuw

en echt Bobby), een halflange olijfgroene ribrok (oud en

heel erg Bobby) of een kort spijkerrokje met rafels (nieuw

en niet echt Bobby). Gisteravond heb ik van mijn laatste

geld een nieuw truitje gekocht: zwart met rode bloemetjes.

Voor als ik Marnix weer zie.

Marnix. Waar is ook alweer mijn telefoon? Ik vis hem uit

mijn zak.

Het scherm is nog steeds leeg. Wat heb ik ook alweer precies

naar hem ge-sms’t? Al fietsend lees ik mijn verzonden

bericht.

 

Bobby, 16:29

Hé Marnix, wat doe je dit weekend? X, Bob

 

Ai, pijnlijk. Alsof ik niets anders te doen heb. Alsof ik het

hele weekend op meneer ga zitten wachten! Wanneer dringt

het verdorie nou toch eens tot je door, Bobby?

Een jaar geleden, toen ik op het Binnenhof ging werken

en na mijn eerste werkdag in zijn bed belandde, toen dacht

ik dat hij verliefd op me was. Toen hij me vertelde dat hij me

leuk vond, maar helaas niet verliefd op me was, dacht ik dat

hij dat nog wel zou worden. Toen hij me vertelde dat hij zich

niet wilde binden en dat het nooit iets zou worden, dacht ik

dat dat nog wel zou komen. En ik bleef hopen. Dat hij zou

veranderen. Dat zijn gevoel voor mij zou veranderen. Dat

hij volwassen zou worden. En vanzelf zou inzien dat wij het

ideale stel zijn.

We bleven elkaar zien — ’s nachts — maar er veranderde

niets. Een paar maanden geleden, op advies van vriendinnen,

vertikte ik het om nog langer alleen ’s nachts met hem

af te spreken. We hebben elkaar daarna twee maanden niet

gezien. Twee maanden waarin ik mijn vriendinnen kapot

heb gezeurd, waarin ik mijn werk ontvluchtte, overwoog

een andere baan te nemen, ik eerst vier kilo ben afgevallen

en er vervolgens weer vijf ben aangekomen. Sindsdien heb

ik het nog vier keer uitgemaakt — voor zover dat natuurlijk

mogelijk is als het niet echt aan is — en inmiddels weet ik

dan eindelijk dat er toch echt geen vooruitgang meer valt te

boeken. De winstprognoses zijn pessimistisch, de groeicijfers

negatief. Hij blijft herhalen dat hij zich niet wil binden.

Hij is in elk geval eerlijk. Ikzelf moet nog een presentatie

geven aan de vlinders in mijn buik. Een duidelijke slideshow

met cijfers en data:

 

A. aantal keren dat ik hem gebeld heb versus het aantal

keren dat hij mij belde: 27 versus 2;

B. aantal keren dat we met elkaar hebben afgesproken

voor 23.00 uur ’s avonds: 3;

C. aantal keer dat we in het openbaar hebben afgesproken:

1;

D. aantal keren dat hij mee wilde naar mijn vrienden of

familie: 0.

 

Dit weekend plan ik een stevig overleg met mezelf. Alle

vlinders verzamelen. Gordels om. No escape. Luister en

huiver.

Maar niet nu. Eerst nog één nachtje samen. Ineens voel

ik iets trillen in mijn zak. Midden op het fietspad trap ik op

de rem en mijn fiets komt met veel gekreun tot stilstand.

 

Herre, 16:44

Hé Bobby, we zitten met de zaak op het water. We zijn over een half

uurtje bij VAKZUID. Spring je op de boot?

 

Herre. Met zware benen stap ik weer op. Herre. Herre is

leuk. Een avondje met mijn oud-collega’s is gezellig. Zijn

boot is geweldig, maar het is toch niet hetzelfde als een

avondje met Marnix. Sinds vorige zomer zijn Herre en ik

vrienden. Ik ken hem langer, zo’n tweeënhalf jaar nu. Hij

was erbij toen ik mijn eerste baan kreeg. Niet om mijn hand

vast te houden, maar omdat hij me aannam. Herre was mijn

baas bij YER, toen ik eigenlijk nog geen flauw benul had

welke richting ik op wilde en werving en selectie daarom

een veilig begin leek. Afspreken deden we eigenlijk pas echt

na mijn afscheid daar. Toen ik er nog werkte zouden collega’s

ons samen kunnen zien en al was er — voor zover ik

weet — nooit enige spanning tussen ons, Herre en ik waren

al snel het favoriete roddelonderwerp.

Tijdens mijn afscheid hebben we iedereen voor de gek

gehouden. Herre hield de afscheidsspeech, en na alle loftuitingen,

bedankjes en ‘het beste met je nieuwe carrièrestap

in de politiek’ volgde en plein public een biecht:

‘Dit afscheid wil ik graag ook gebruiken om iets anders

aan jullie kenbaar te maken,’ zei Herre, terwijl hij naar mij

wees, ‘Bobby, we kunnen er nu eindelijk open over zijn...’

De onthulling sloeg in als een bom. ‘Ik wist het’ en ‘zie je

wel’ werd in hoog tempo op ons afgevuurd. Nog steeds, een

jaar later, proberen we uit te leggen dat deze onthulling een

grap was, maar tevergeefs. Nu laten Herre en ik het maar

gewoon zo.

 

Het terras voor mijn deur zit bomvol. Gelach klinkt over

het water. Als ik mijn fiets parkeer tegen ‘mijn’ lantaarnpaal,

zie ik Evelien uit onze voordeur naar buiten komen.

Evelien ken ik nog niet zo vreselijk lang, maar ze weet nu al

alles van me. Zonder haar te kennen ben ik twee jaar geleden

met haar gaan samenwonen. Ik liep met de makelaar

dit huis op de derde etage binnen en het was liefde op het

eerste gezicht. Met het huis, niet met de makelaar: uitzicht

op de gracht, een steiger voor de deur met een leuk terrasje

erop, net gerenoveerd, licht, maar veel te groot. En nog een

klein detail: veel te duur. Als ik een vriend had gehad, zou

ik er fantastisch samen kunnen gaan wonen. Ik zag onze

gezamenlijk gekochte loungebank er al staan. Onze boeken

kriskras door elkaar in de boekenkast. Mijn boeken dicht

tegen de zijne.

Diezelfde week zat ik in de trein tegenover een meisje

met een gekke bril, een aktetas en blauwe laarzen. We raakten

aan de praat: de laarzen waren van Invito, de aktetas

zat vol met juridische dossiers en ze zocht nog een huis in

Amsterdam.

 

‘Wat ben je lekker vroeg, Bob! Goed dat ik je nog zie,’ zegt

ze, terwijl ze zwaait met haar tas.

Ik priegel mijn slot onder mijn zadel vandaan. Evelien

tettert vrolijk verder over straat.

‘Wat ga jij doen vanavond? Wat een weer, hè?’

Evelien bekijkt me van top tot teen.

'Bobby!’ zegt ze boos, ‘het is geen winter.’

‘Ja ja, rustig. Bloemenrok, die ene groene of die nieuwe

spijker?’

‘Die nieuwe spijker, natuurlijk! Wat ga je doen?’

‘Met Herre op z’n boot. Of Marnix misschien. Ik zie wel

wat het wordt.’

Evelien kijkt me indringend aan en zucht. ‘Bobby van

Kesteren,’ zegt ze streng en ik weet de strekking al van wat

gaat komen, ‘wanneer houd je nou toch eens op om als een

hondje achter hem aan te lopen? Je mag dan wel Bobby

heten, maar zoek dan ten minste een leukere Kuifje.’

Ik steek mijn tong uit mijn mond en hijg.

‘In je mand, jij. En snel! Zit en blijf.’

‘Woef,’ zeg ik kwispelend.

‘O, en als je die blauwe laarzen wilt lenen: ze liggen onder

mijn bed. Sms je me nog even als je naar de stad gaat? Ik

ben ervandoor, oké? Haast! Ciao!'

Evelien zwaait haar been over de stang van haar fiets en

rijdt weg.

Toen ze die eerste avond in de trein naar het toilet was en

ik even op haar spullen moest passen, heb ik stiekem een

briefje in haar aktetas gestopt: ‘Ik heb een huis gevonden

op de Jacob van Lennepkade, wil je bij me komen wonen?

Kan ik mooi je blauwe laarzen lenen :-)’ Ik had er eigenlijk

niets meer van verwacht, maar dezelfde dag nog kreeg

ik van haar een telefoontje. Een week later deelden we het

appartement.

 

Evelien verdwijnt om de hoek en ik vis mijn telefoon voor

de zoveelste keer uit mijn jaszak. Vlak naast een gracht

wonen is voor mij gevaarlijk. Minimaal één keer per week

wil ik dat ding in de gracht sodemieteren. Ditmaal gebruik

ik de telefoon om Herre terug te sms’en dat ik eraan kom.

Snel sprint ik de trap op, kleed me om en haast me naar de

kade bij het Olympisch Stadion.

 

Als ik even later met mijn benen over de rand van de kade

bungel en wacht op de boot van Herre, rommel ik in mijn

tas. Het nieuwe zwarte truitje voor als ik Marnix weer zie,

heb ik er nog gauw in gepropt. Voor het geval dat. Woef.

Ik kijk op het scherm van mijn telefoon. Geen nieuwe

berichten, alleen maar mijn eigen foto. Ik lach mezelf toe

vanaf een Thais strand. Een oprechte glimlach, bruin,

gezond. Een fonkelende glimlach. Een onafhankelijke

glimlach. Een onbezorgde glimlach. Een Bobby-voordat-ze-

Marnix-leerde-kennenglimlach. Ik kijk mezelf — mijn

oude zelf — in de ogen en zeg hardop: ‘Marnix is een loser

en jij bent een topwijf.’ Ik lach hardop en kijk om me heen

of iemand me gehoord heeft. Ik ga naar het eerste van de elf

opgeslagen berichten van Marnix. Ik bewaar ze al maanden

omdat er bij uitzondering lieve woorden in staan. Het moet

maar eens afgelopen zijn met dit slappe gedoe. Zonder te

lezen wis ik het eerste bericht. Ik ga door met wissen en als

ik bij het laatste ben aangekomen, zie ik de voorsteven van

Herman Boot, de boot van Herre, de hoek om varen. Ik wis

het laatste bericht. ‘Marnix is een loser,’ fluister ik nog even

tegen mezelf. En ik geloof het ook, in elk geval eventjes.

 

 
Over Floor
Recensies
Marieke (28) uit Wilnis
"Lekkere lichte kost voor op vakantie of een druilerige zondag!"
Elle
"Neem een kleed, een fles wijn, dit boek en strijk neer in het park."
Chicklit.nl
"Dit boek is een echte aanrader voor iedereen die van een mooi liefdesverhaal wil smullen!"
Stuur ook jouw recensie!
Groene ambitie